Sergeant Bertrand
Wanneer was het voor het eerst gebeurd? Nikolaj kon het zich nu niet meer precies herinneren. Misschien ging op een avond gewoon de deur open en kwam die man rustig glimlachend de kamer binnen, nam zijn hoed af, kuste de hand van zijn vrouw en liep door naar Nikolaj, begroette hem als een oude bekende. Hij ging dan op de stoel naast het bed zitten en begon hem strak aan te kijken, en zijn gezicht was vol medeleven en stond plechtig, en Nikolaj bedacht dat Bertrand er op zijn begrafenis net eender, vol medeleven en plechtig zou uitzien. Zo bedacht Nikolaj, die eerste avond dat Bertrand naar zijn kamer doorliep.
Maar misschien was het helemaal anders verlopen.
Misschien zaten ze ’s ochtends gewoon aan tafel, Vera had net de theepot uit de keuken gehaald, en bij elke pas ontsnapte er een wolkje dunne rook uit het neusje ervan. Er stond een bord met een omelet voor Nikolaj (roosachtige partjes tomaat, roosachtige stukjes gebakken worst, naaldjes dille). De wodka die nog maar net was ingeschonken, schommelde nog na in het mooie glaasje
met gouden randje.
Vera gaf Nikolaj een kus op zijn haren, hij knikte, dronk de wodka in één slok uit, zijn hoofd ver naar achteren gooiend, ademde luid uit, en boog zich dan zoals altijd te laag boven zijn bord, terwijl hij met zijn vork het eerste stuk omelet losmaakte.
Op dat ogenblik werd er lang aan de deur gebeld.
‘Er wordt gebeld,’ zei hij, omdat Vera de bel blijkbaar niet gehoord had.
‘Wat zeg je?’ vroeg ze.
‘Er wordt aan de deur gebeld,’ herhaalde Nikolaj geïrriteerd.
‘Ah, sorry,’ zei zijn vrouw. ‘Ik was in gedachten verzonken. Ik zal wel opendoen. Eet jij nu maar.’
Licht opverend van de tafel liep Vera de gang in en kliktehet slot open. En toen begon ze op fl uistertoon tegen iemand te praten. Als ze hardop had gepraat, zou Nikolaj waarschijnlijk niet op het gesprek gelet hebben, niet geluistervinkt, er niet bij stilgestaan wie er aan de deur stond, en waarom – maar ze praatte op fl uistertoon, waardoor hij onmiddellijk begreep dat Vera niet wilde dat hij hoorde wat er gezegd werd.
Op zijn tenen, de vork in zijn handen geklemd, sloop Nikolaj naar de gang. Bij elke stap werd het gefl uister luider; bij de deur naar de gang kon Nikolaj enkele woorden opvangen. Zo zei Vera: ‘Nee, hij is thuis nu,’ en: ‘Ik zal bellen als hij weg is.’ Over wie had ze het?! Wie was er behalve hij nog thuis?! En naar wie ging ze bellen ‘als hij weg was’?! De deur sloeg dicht en Nikolaj rende terug naar de tafel. Hij was buiten adem. De wodka gutste op het tafelkleed toen hij zijn glas inschonk.
Vera kwam de kamer binnen en liet zich opnieuw op haar stoel zakken. Terwijl ze uit de gang kwam, leek ze opgevrolijkt, alsof het gesprek haar aangenaam had opgewonden.
‘Wie was er aan de deur?’ vroeg Nikolaj onverschillig, zonder in haar richting te kijken, en hij prikte een ongehoorzaam stuk tomaat op zijn vork.
‘Ik weet het niet,’ antwoordde Vera.
‘Hoezo, je weet het niet?’ Nikolaj gooide zijn vork neer en draaide zich naar haar toe. ‘Weet je dan niet met wie je daarnet stond te praten?’
De vrouw keek hem verward aan.
‘Er was niemand… Misschien heb je je maar verbeeld dat er gebeld werd? Of misschien waren het kinderen? Die aangebeld hebben en weggelopen zijn?’
‘Ik heb toch gehoord…’ begon Nikolaj, maar hij hield zich meteen in. Het zou fout zijn om toe te geven dat hij gehoord had hoe ze met iemand had staan fl uisteren.
‘Wat zeg je?’
‘Niets.’
Hij liep naar de vestibuledeur en stond er te luisteren: achter de deur was te horen hoe iemand ongehaast van de trap kwam. Zonder het slot te laten klikken deed hij de deur open, liep naar de trapleuning en keek naar beneden, naar de traparm. Maar hij kon diegene die langs de trap naar beneden ging, niet zien. Er hing een brandlucht in de hal. Na een blik achterom naar de deur – Vera stond hem met geschrokken ogen te volgen in de deur – rende Nikolaj voorzichtig, terwijl hij zo weinig mogelijk lawaai probeerde te maken, langs de trap naar beneden. De deur van de hal sloeg dicht. Op de laatste bordestrede bleef hij staan: de trap voor hem was leeg. Hij rende verder naar beneden, duwde tegen de deur en stapte naar buiten, heel even verblind door het felle daglicht.
Boven de vuilniscontainer hing een zware, zwarte rook: het vuilnis stond in brand en stonk zo weerzinwekkend dat Nikolaj meteen misselijk werd. De binnenplaats was leeg, maar vanuit zijn ooghoek merkte hij hoe iemand achter de container verdween. Nikolaj rende naar de container. Ongelukkig genoeg kwam hij in de dikke, zwarte, benauwende rookwolk terecht. Hij moest zijn ogen dichtknijpen en zijn adem inhouden. En toen hij uit de rook kwam en zijn ogen weer open deed, bleek er niemand achter de container te zijn. Hij bleef even staan en keek het binnenplein rond, liep de hal van het huis ernaast binnen, dat het dichtst bij de vuilniscontainer stond waarin leer of rubber smeulde. Maar ook die bleek leeg. Leeg was ook het binnenplein ernaast. Er speelden alleen enkele jongetjes voetbal met een halfplatte rubberbal (de doelman met snottebellen trok voortdurend zijn grote, gescheurde lederen handschoenen goed, die hem veel te groot waren). En verderop was er de straat, waar auto’s reden. Er reed net een bus weg van de halte, een oud vrouwtje met doorgeschoten aardappelen in een netje keek onverschillig naar Nikolaj, die blootsvoets op het asfalt stond… Terug thuis kon hij wel huilen.
‘Wat is er met je?’ vroeg Vera vol medeleven. Ze wachtte hem in de hal op. Ze probeerde haar hand door zijn haren te halen. ‘Voel je je niet goed?’
‘Ik voel me uitstekend,’ antwoordde Nikolaj nadat hij haar hand had weggeduwd. Hij liep meteen door naar de kamer ernaast en sloeg de deur dicht.
‘Ik voel me gewoon geweldig,’ zei hij in de slaapkamer, waar hij zich op bed had laten vallen en zijn gezicht met zijn handen bedekte, zoals hun zoon deed op zulke ogenblikken, om zijn opwellende kindertranen te verbergen als hij verdriet had, en doodsbang was, en niet wilde leven, en eigenlijk echt maar van één ding droomde: zo snel mogelijk, nu meteen, deze seconde nog, sterven. Maar dan kwam de bespottelijke vraag naar boven: hoe kon hij nu sterven en haar moederziel alleen op deze wereld
achterlaten?!
** ** **
Misschien kwam Sergeant Bertrand op die manier voor het eerst bij hen langs. Maar Nikolaj was er niet zeker van. Waarschijnlijk was het toen avond, die eerste keer dat hij kwam, achter de ramen was het donker, Nikolaj lag in bed omdat hij weer last had van hoofdpijn en misselijk was van de pijn. Onder de deken lag hij ongemakkelijk en was het heet. Vera was in de woonkamer achtergebleven, ze zat er aan tafel. En toen rinkelde de bel. Ja, ja.
Vera bracht Bertrand naar de woonkamer, ze controleerden of de deur die naar Nikolajs kamer leidde, wel stevig dicht zat, Vera stak haar beide handen tegelijk uit naar Bertrand, Bertrand greep ze vast en drukte ze tegen zijn lippen.
vorig hoofdstuk | volgend hoofdstuk |